In het laatste stadium van afronding van mijn dissertatietekst werd ik nog geconfronteerd met een aardige kwestie: de status en functie van het oudste huis van Nederland: Sandrasteeg 8 - beter bekend als de Proosdij - te Deventer. Op het terras van café Camelot kwam ik er met Johans Kreek, destijds architect van de restauratie van het gebouw en tegenwoordig lid van de Zutphense werkgroep bouwhistorie, over te spreken. Dit resulteerde in een maildiscussie over het gebouw tussen bouwhistoricus Wijnand Bloemink, Johans Kreek en mijzelf over de omvang, fasering en functie van het gebouw. De discussie is nuttig en actueel omdat er op dit moment door een groep vrijwilligers bouwhistorisch onderzoek wordt uitgevoerd en er behoefte is aan onderzoeksvragen. Over één ding waren we het snel eens: het door alle auteurs van het boek uit 1996 over dit gebouw omarmde idee dat het om een poortgebouw gaat kan om meerdere redenen worden verworpen (Het Kapittel van Lebuinus in Deventer). Wat is het dan wel? Het gaat om een relatief grote residentie van de proost, waartoe ook het huidige pand Stromarkt 19 behoorde. Het oudste huis van Nederland was de privékapel van de proost en erboven en ernaast waren representatieve ruimten en woonvertrekken. In dat opzicht is er zeker een verwantschap met de grote vorstelijke aula's zoals die te Zutphen. Net als de hogere (rijks)adel in de 12e eeuw gingen ook bisschoppen en proosten vorstelijke residenties bouwen om daarmee hun macht en aanzien te tonen. De Utrechtse bisschop Adelbold deed dat al rond 1030 in Utrecht en na 1050 zou Bernold of een van zijn opvolgers in Deventer een grote aula bouwen. De proost bleef niet achter en beschikte rond 1140 over een passende residentie.
Ongetwijfeld komen er nog nieuwe aanvullende gegevens aan het licht en worden openliggende vragen nog opgelost. In elk geval kan het ANWB-bord op dit pand worden vervangen!
In deze blog leest u over de nieuwste ontwikkelingen omtrent de uitwerkingen van het NWO-Odyssee onderzoeksproject ‘De Vorstelijke Palts van Zutphen’.
Zutphen, de kern van de provincie Gelderland
De belangwekkende archeologische opgravingen van 1946 en in 1993-1999 op en rond het plein 's-Gravenhof in Zutphen worden opnieuw bekeken en voor het eerst grondig uitgewerkt. Op deze blog zal wekelijks een nieuw bericht geplaatst worden over de resultaten van het project. De uiteindelijke resultaten zullen worden gepresenteerd in een lijvig onderzoeksrapport, in verschillende publicaties, waaronder t.z.t. een proefschrift. De palts zal ook worden gevisualiseerd volgens de jongste en nieuwste inzichten. Zutphen, de kiemcel van de provincie Gelderland De stad Zutphen is een van de belangrijkste schakels in de vroegstedelijke ontwikkeling van ons land. Het plein 's-Gravenhof in Zutphen representeert niet alleen een stadskern van regionaal en nationaal belang, doch door de historische context (stedelijke genese in de periode 800-1200 AD) en archeologische verschijningsvorm (centrum rijksaristocratie en mogelijk de Duitse vorsten) moet de vindplaats Zutphen van internationaal belang worden geacht.
Zutphen heeft als een van de zeer weinige Nederlandse steden een onafgebroken bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot ver vóór de Middeleeuwen. Vanaf circa 300 na Christus hebben hier altijd mensen binnen een versterking gewoond en in de 9de eeuw lag op de plek waar de Berkel in de IJssel uitmondt, een grafelijk centrum van belang. Eind 9e eeuw werd de nederzetting na een vikingaanval omwald.
In de 11de eeuw verrees hier een van de grootste stenen gebouwen die ons land in die tijd rijk was: een zaal van meer dan 50 meter x 12,5 meter, opgetrokken uit tufsteen, met allerlei bijgebouwen eromheen. Zo'n gebouw kan eigenlijk alleen worden verklaard als palts (Duits: pfalz), een tijdelijk verblijf van de Duitse koning, een belangrijk lid van diens familie of een hoge aristocraat die troonpretenties had en dat wilde laten zien. De graven van Zutphen waren aan de Duitse koningen (de Ottonen) verwant; zij zijn (via vrouwelijke lijn) de voorouders van de later zo machtige hertogen van Gelre, en in Zutphen ligt de kiemcel van onze huidige provincie.
Het onderzoeksproject ‘De vorstelijke palts van Zutphen’ wordt in het kader van het NWO-Odysseeprogramma gesubsidieerd als kortlopend onderzoek. Het onderzoek werd tevens mogelijk gemaakt met een aanvullende subsidie van de provincie Gelderland uit het Belvoir-werkenprogramma 2010. Deelnemende instellingen en bedrijven: Gemeente Zutphen Universiteit van Amsterdam/Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) Aestimatica Het onderzoek wordt hoofdzakelijk uitgevoerd binnen de archeologische dienst van de gemeente Zutphen. Het Amsterdam Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) is al vele jaren bij het onderzoek naar het vroegstedelijke Zutphen betrokken. Prof. Dr. Frans Theuws zorgt voor de inhoudelijke begeleiding. Erica Rompelman, MA van het bedrijf Aestimatica onderzocht in het kader van haar studie aan het AAC de Karolingische botcomplexen van het paltsterrein. Zij levert in het kader van dit project een betrouwbare quickscan van een enorme bottendump uit de 12e eeuw. Dr. Chiara Cavallo (AAC) onderzoekt het botmateriaal van de palts zelf (10e-12e eeuw). Drs. Bob Beerenhout (AAC) bestudeert het vismateriaal. Chiara Cavallo draagt namens het AAC zorg voor de wetenschappelijke controle en synthese van de zoölogische data. Het doel is een beeld te vormen van de materiële cultuur en voedselcultuur van het paltscomplex.
Zutphen heeft als een van de zeer weinige Nederlandse steden een onafgebroken bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot ver vóór de Middeleeuwen. Vanaf circa 300 na Christus hebben hier altijd mensen binnen een versterking gewoond en in de 9de eeuw lag op de plek waar de Berkel in de IJssel uitmondt, een grafelijk centrum van belang. Eind 9e eeuw werd de nederzetting na een vikingaanval omwald.
In de 11de eeuw verrees hier een van de grootste stenen gebouwen die ons land in die tijd rijk was: een zaal van meer dan 50 meter x 12,5 meter, opgetrokken uit tufsteen, met allerlei bijgebouwen eromheen. Zo'n gebouw kan eigenlijk alleen worden verklaard als palts (Duits: pfalz), een tijdelijk verblijf van de Duitse koning, een belangrijk lid van diens familie of een hoge aristocraat die troonpretenties had en dat wilde laten zien. De graven van Zutphen waren aan de Duitse koningen (de Ottonen) verwant; zij zijn (via vrouwelijke lijn) de voorouders van de later zo machtige hertogen van Gelre, en in Zutphen ligt de kiemcel van onze huidige provincie.
Het onderzoeksproject ‘De vorstelijke palts van Zutphen’ wordt in het kader van het NWO-Odysseeprogramma gesubsidieerd als kortlopend onderzoek. Het onderzoek werd tevens mogelijk gemaakt met een aanvullende subsidie van de provincie Gelderland uit het Belvoir-werkenprogramma 2010. Deelnemende instellingen en bedrijven: Gemeente Zutphen Universiteit van Amsterdam/Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) Aestimatica Het onderzoek wordt hoofdzakelijk uitgevoerd binnen de archeologische dienst van de gemeente Zutphen. Het Amsterdam Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) is al vele jaren bij het onderzoek naar het vroegstedelijke Zutphen betrokken. Prof. Dr. Frans Theuws zorgt voor de inhoudelijke begeleiding. Erica Rompelman, MA van het bedrijf Aestimatica onderzocht in het kader van haar studie aan het AAC de Karolingische botcomplexen van het paltsterrein. Zij levert in het kader van dit project een betrouwbare quickscan van een enorme bottendump uit de 12e eeuw. Dr. Chiara Cavallo (AAC) onderzoekt het botmateriaal van de palts zelf (10e-12e eeuw). Drs. Bob Beerenhout (AAC) bestudeert het vismateriaal. Chiara Cavallo draagt namens het AAC zorg voor de wetenschappelijke controle en synthese van de zoölogische data. Het doel is een beeld te vormen van de materiële cultuur en voedselcultuur van het paltscomplex.
Lees hier meer over mij
donderdag 27 september 2012
vrijdag 17 augustus 2012
De palts van Zutphen wordt virtuele en fysieke werkelijkheid!
Beste volgers,
Het leuke van archeologisch onderzoek is dat fantasie en logica hand in hand gaan. Maar het relativeert ook wanneer je andere bronnen, invalshoeken, ja zelfs dimensies, erbij kan betrekken.Uit puinbanen, schamele funderingsresten, een plattegrond en een kruiwagen vol bouwfragmenten presenteerde ik vorig jaar de reconstructie van de Zutphense 'palas' (paltsaula). Dat inspireerde Jouke Nijman uit Groningen en Constant Willems uit Zutphen om resp. een digitale en fysieke reconstructie te maken van het gebouw. Beiden zijn inmiddels ver gevorderd en het resultaat is dat de papieren reconstructie op veel punten drastisch moest worden herzien. Wanneer je echt iets in drie dimensies vormgeeft, stuit je onherroepelijk op constructieve en ruimtelijke problemen die je in het platte vlak niet opvallen. Ook de nadere uitwerking van architectuurdetails vraagt om nadenken. En de 3D-onderneming heeft zeker nog aangezet om bepaalde veronderstellingen beter te onderbouwen of andere te verlaten. Kortom, ik ben beide heren nu al zeer dankbaar voor hun feedback in het proces. Met name van Constant kreeg ik veel nuttig bouwkundig commentaar en de vragen, reconstructieschetsen, bouwtekeningetjes en dummies vlogen in korte tijd heen en weer. Het eindresultaat mag er straks absoluut zijn en ik geef hier vast een voorproefje van hun nu nog onvoltooide reconstructie. Zo komen de vensters in Joukes reconstructie nog in spaarvelden te liggen. Constants ruwe opzet lijkt hoog maar komt verzonken in de grondplaat te liggen vanwege de souterrains. Je kunt straks vanaf de open westgevel ook het interieur van het gebouw bewonderen.Beide heren hebben een fraaie website waarop hun werk te bewonderen is: www.joukenijman.nl en www.constantwillems.nl.
vrijdag 29 juni 2012
Een tweede grafelijke hof
Een van de laatste voltooide 'capita selecta' gaat over de tweede hof
van de graven van Gelre en Zutphen. Waar verbleven de graven nadat de
oude paltshof in onbruik raakte? Al eerder is gewezen op een tweede hof
van de graven op de plaats van het huidige dominicanenklooster (huidige
museum en Broederenkerk). De hof ontstond in de 12e eeuw in de nieuwe
handelsnederzetting tussen Berkel- en IJsseloever. In de 13e eeuw lag de
hof centraal nabij de grote grafelijke ondernemingen: de watermolens en
de stichting van de Nieuwstad. Bij recent bouwhistorisch onderzoek door
het Monumenten Advies Bureau is vastgesteld dat in het nog bestaande
dormitorium van het klooster een 13e-eeuwse bakstenen zaal schuil gaat
van 25,5 x 8,7 meter. Van deze zaal staat nog aanzienlijk veel overeind
en in de noordgevel en westelijke zijmuur zijn eenvoudige romaanse
vensters aangetroffen. Deze zaal vertoont onmiskenbaar overeenkomsten
met de oudste zaal (de zog. Rolzaal) van de Hollandse graaf en
Rooms-koning Willem II op het Haagse Binnenhof. Deze meet 24 x 9 meter.
Nog in de 13e eeuw werd naast de zaal een kerk gebouwd. Dit is de oudste
bouwfase van de huidige Broederenkerk. Even speelde ik met de gedachte dat het gebouw aanvankelijk geen kerk was, maar een Gelderse Ridderzaal. De plattegrond van het complex deed wel erg veel denken aan het Binnenhof. Maar de Haagse Ridderzaal is eenschepig en het Zutphense gebouw van meet af aan drieschepig. Lang werd gedacht dat deze kerk
in één keer gebouwd was rond 1300. Maar onderzoek maakt duidelijk dat
dit minstens in twee fasen gebeurd is en dat die eerste fase mogelijk
tussen 1284 en 1288 tot stand kwam. bij opgravingen medio juni 2012
achter het koor van de kerk werden aanwijzingen gevonden dat het koor
van de kerk mogelijk pas rond 1400 werd gebouwd. Het koor heeft
inderdaad overwegend kleinere bakstenen.
vrijdag 13 april 2012
De Zutphense palts is gebouwd door.....
Tja, door wie? en voor wie? en waarom daar? Dat is de kernvraag van mijn onderzoek. Maar het onderzoek nadert zijn voltooiing. Ik heb inmiddels een gefundeerd idee wie de palts heeft laten bouwen! Dat is natuurlijk hypothese, maar de argumentatie staat op papier (in word docx dan). En er tekent zich een interessante ontwikkeling af die goed zou kunnen verklaren waarom nu juist in Zutphen een paltscomplex tot stand kwam. In een eerder blogbericht meldde ik reeds de mogelijke kandidaten die als opdrachtgever kunnen worden gezien: de koningen, de bisschoppen van Utrecht, de hertogen van Lotharingen of de graven van Zutphen. Maar in het kader van mijn promotie zal ik mijn gedachten en schrijfsels nog even onder de pet moeten houden. Het blijft dus nog even een klifhanger....
Tot die tijd zal nog regelmatig een voortgangsberichtje plaatsen over een interessant thema van onderzoek.
Blijf het volgen.
Tot die tijd zal nog regelmatig een voortgangsberichtje plaatsen over een interessant thema van onderzoek.
Blijf het volgen.
zondag 25 maart 2012
balkon of middenrisaliet?
Het leuke van onderzoek doen naar een thema, dat blijkbaar meer mensen bezighoudt, is dat je regelmatig feedback krijgt. Ook ik ondervind dat, tot groot genoegen. Collegae als Ed Harenberg, Hein Hundertmark, Karel Emmens, Jeroen Krijnen, Bert Fermin, Volker Herrmann en Aad Bastemeijer hebben (delen van) mijn teksten van kritisch commentaar voorzien en daar doe ik natuurlijk mijn voordeel mee, of ik bekijk of hun visie met de mijne te verenigen is. Het is een leuke fase van het onderzoek dat bewijst dat je met iets zinvols bezig bent.
Zo'n discussiethema betreft een onderdeel van de reconstructie van de paltsaula. Was er bij de uitstekende entreepartij sprake van een middenrisaliet (dwarsbeuk met topgevel) of een balkon? Aad Bastemeijer heeft zijn twijfels bij de oplossing van de middenrisaliet. In nogal wat Duitse reconstructies (zowel op papier, als 3D als fysiek) ziet men een balkon gereconstrueerd. Bij enkele paltsen, zoals te Paderborn, is dat bouwhistorisch te bewijzen, maar lang niet bij allemaal. Op grond van oude prenten is bijvoorbeeld bij de paltsaula van Speyer hard te maken dat er sprake was van een middenrisaliet. Voorbeelden doen volgen, dus op zeker moment praten reconstructies elkaar na en ontstaat er een rotsvast geloof dat 'het zo was'. Maar ik ben niet overtuigd geraakt. Ik denk dat beide oplossingen voorkwamen bij paltsen. Bij het balkon opteer ik dan wel voor een afdakje want om de vorst nu in weer en wind te laten staan als hij zijn volk toesprak.....
Zo is er ook voor Zutphen een balkonvariant gereconstrueerd, want met slechts uitbraaksporen als uitgangspunt is voor Zutphen geen van beide varianten te bewijzen.
Zo'n discussiethema betreft een onderdeel van de reconstructie van de paltsaula. Was er bij de uitstekende entreepartij sprake van een middenrisaliet (dwarsbeuk met topgevel) of een balkon? Aad Bastemeijer heeft zijn twijfels bij de oplossing van de middenrisaliet. In nogal wat Duitse reconstructies (zowel op papier, als 3D als fysiek) ziet men een balkon gereconstrueerd. Bij enkele paltsen, zoals te Paderborn, is dat bouwhistorisch te bewijzen, maar lang niet bij allemaal. Op grond van oude prenten is bijvoorbeeld bij de paltsaula van Speyer hard te maken dat er sprake was van een middenrisaliet. Voorbeelden doen volgen, dus op zeker moment praten reconstructies elkaar na en ontstaat er een rotsvast geloof dat 'het zo was'. Maar ik ben niet overtuigd geraakt. Ik denk dat beide oplossingen voorkwamen bij paltsen. Bij het balkon opteer ik dan wel voor een afdakje want om de vorst nu in weer en wind te laten staan als hij zijn volk toesprak.....
Zo is er ook voor Zutphen een balkonvariant gereconstrueerd, want met slechts uitbraaksporen als uitgangspunt is voor Zutphen geen van beide varianten te bewijzen.
vrijdag 9 maart 2012
succesvol congres in Kleef
23 en 24 februari vond een bijzonder informatief en geslaagd congres plaats te Kleef-Rindern: Königtum und Adel in Niederlothringen (10e -12e eeuw). Hier kon ik mijn stand van zaken t.a.v. het onderzoek presenteren aan een Nederlands en Duits publiek, waaronder een aantal zeer ingewijden in de Duitse Pfalzenforschung. Mattias Zotz en Caspar Ehlers (Max Planck Institut (Pfalzenforschung) Uni Göttingen/Frankfurt) waren zeer onder de indruk van het Zutphense bouwwerk en kwamen slechts met (mij reeds bekende) 12e-eeuwse voorbeelden van 'grafelijke paltsen'. Ehlers uitspraak ''er gold geen verbod op het bouwen van een 'palas' die op een koningspalts leek'' kon door hem vooralsnog niet gestaafd worden met voorbeelden uit de 11e eeuw of eerder. Maar hij beloofde verder te zoeken en de rapportage te lezen. In het algemeen zijn dit soort bijeenkomsten uitermate nuttig voor uitwisseling, netwerken en kennisinformatie. De afgelopen week heb ik mijn pakket aantekeningen van de 14 voordrachten al dankbaar in mijn onderzoek kunnen verwerken.
Een van de vroege 'grafelijke paltsen', waar ik me de laatste tijd mee bezig hem gehouden, is de burg Sulzbach in Beieren, waar graaf Berengar I in de eerste decennia van de 12e eeuw een 40 meter lange 'palas' in zijn burcht liet bouwen (zie afbeelding, bron: http://www.schauhuette.de/blog/archives/category/3d-visualisierungen/). Hij was, voor zover bekend, de eerste die dat als graaf deed. Het paste bij de status van de man, die als vertrouweling gold van keizer Hendrik V en twee van zijn dochters trouwden de latere keizer Koenraad III en de latere byzantijnse keizer Manuel I Komnenos. De burg Sulzbach kent een opvallend parallelle ontwikkeling met Zutphen, al vanaf de vroege middeleeuwen. Archeologisch is er redelijk wat van bekend door de opgravingen van Matthias Hensch. Volker Herrmann, de vorige stadsarcheoloog van Duisburg, (nu werkzaam te Bern), verwees me naar dit onderzoek. van je netwerken moet je het absoluut hebben!
Een van de vroege 'grafelijke paltsen', waar ik me de laatste tijd mee bezig hem gehouden, is de burg Sulzbach in Beieren, waar graaf Berengar I in de eerste decennia van de 12e eeuw een 40 meter lange 'palas' in zijn burcht liet bouwen (zie afbeelding, bron: http://www.schauhuette.de/blog/archives/category/3d-visualisierungen/). Hij was, voor zover bekend, de eerste die dat als graaf deed. Het paste bij de status van de man, die als vertrouweling gold van keizer Hendrik V en twee van zijn dochters trouwden de latere keizer Koenraad III en de latere byzantijnse keizer Manuel I Komnenos. De burg Sulzbach kent een opvallend parallelle ontwikkeling met Zutphen, al vanaf de vroege middeleeuwen. Archeologisch is er redelijk wat van bekend door de opgravingen van Matthias Hensch. Volker Herrmann, de vorige stadsarcheoloog van Duisburg, (nu werkzaam te Bern), verwees me naar dit onderzoek. van je netwerken moet je het absoluut hebben!
zondag 22 januari 2012
Nieuws over diverse thema's
Sint Justus is onvindbaar in Trier (zie vorig blogbericht). Dr. Nolden van het Stadtarchiv te Trier kwam geen enkele verwijzing tegen naar een Sint Justusverering in die stad, maar hij blijft zoeken, nu in 2012 de Trierse relieken extra in de aandacht komen. Wel kwam de bron boven water waarin daarover iets zou staan, maar dat bleek op een vermelding van graaf Otto van Zutphen te gaan in een getuigenlijst van een koninklijke oorkonde uit 1101 in het Gouden Boek van de abdij Prüm.
Inmiddels komen nieuwe gegevens en ideeën los die erop wijzen dat te Deventer (bisschopshof) en Utrecht (koningspalts en bisschopspalts) goede parallellen voor de Zutphense aula te vinden zijn. Er zijn morfologische parallellen, vooral in Utrecht, maar ook chronologische gegevens vanuit Deventer in de ontwikkeling van de gebouwen op de voormalige bisschopshof die de bouw van de Zutphense aula kunnen verklaren. Is de Zutphense residentie bedoeld geweest als opvolger van Deventer toen in die stad na 1046 de oude vorstelijke gebouwen plaats maakten voor een nieuwe kerk en bisschopspalts?
En ook de plaats Ename aan de Schelde blijkt een interessante zoekrichting. Hier heeft een graaf (!) rond 1020 een paltsachtige residentie gebouwd in het castrum. Die graaf is niemand minder dan graaf Herman van Ename, de (volgens Hein Jongbloed) vermeende vader van Godschalk van Zutphen.
Tot slot ben ik bezig met de omvang en betekenis van de metaalindustrie (vooral ijzer) in en rond Zutphen tussen 850 en 1200. Daar zijn interessante tendensen te bespeuren en van slechts lokale betekenis lijkt die productie niet te zijn geweest. De omvang moet zeker in de 10e eeuw op het omringende platteland aanzienlijk geweest zijn. In de 9e eeuw is in Zutphen zelf ook bronsproductie aantoonbaar, maar welke omvang dit had is lastiger te bepalen (zie foto's van bronsschroot en fragmenten van een ovenstructuur).
Volgende keer meer.
Inmiddels komen nieuwe gegevens en ideeën los die erop wijzen dat te Deventer (bisschopshof) en Utrecht (koningspalts en bisschopspalts) goede parallellen voor de Zutphense aula te vinden zijn. Er zijn morfologische parallellen, vooral in Utrecht, maar ook chronologische gegevens vanuit Deventer in de ontwikkeling van de gebouwen op de voormalige bisschopshof die de bouw van de Zutphense aula kunnen verklaren. Is de Zutphense residentie bedoeld geweest als opvolger van Deventer toen in die stad na 1046 de oude vorstelijke gebouwen plaats maakten voor een nieuwe kerk en bisschopspalts?
En ook de plaats Ename aan de Schelde blijkt een interessante zoekrichting. Hier heeft een graaf (!) rond 1020 een paltsachtige residentie gebouwd in het castrum. Die graaf is niemand minder dan graaf Herman van Ename, de (volgens Hein Jongbloed) vermeende vader van Godschalk van Zutphen.
Tot slot ben ik bezig met de omvang en betekenis van de metaalindustrie (vooral ijzer) in en rond Zutphen tussen 850 en 1200. Daar zijn interessante tendensen te bespeuren en van slechts lokale betekenis lijkt die productie niet te zijn geweest. De omvang moet zeker in de 10e eeuw op het omringende platteland aanzienlijk geweest zijn. In de 9e eeuw is in Zutphen zelf ook bronsproductie aantoonbaar, maar welke omvang dit had is lastiger te bepalen (zie foto's van bronsschroot en fragmenten van een ovenstructuur).
Volgende keer meer.
Abonneren op:
Posts (Atom)








