Tja, door wie? en voor wie? en waarom daar? Dat is de kernvraag van mijn onderzoek. Maar het onderzoek nadert zijn voltooiing. Ik heb inmiddels een gefundeerd idee wie de palts heeft laten bouwen! Dat is natuurlijk hypothese, maar de argumentatie staat op papier (in word docx dan). En er tekent zich een interessante ontwikkeling af die goed zou kunnen verklaren waarom nu juist in Zutphen een paltscomplex tot stand kwam. In een eerder blogbericht meldde ik reeds de mogelijke kandidaten die als opdrachtgever kunnen worden gezien: de koningen, de bisschoppen van Utrecht, de hertogen van Lotharingen of de graven van Zutphen. Maar in het kader van mijn promotie zal ik mijn gedachten en schrijfsels nog even onder de pet moeten houden. Het blijft dus nog even een klifhanger....
Tot die tijd zal nog regelmatig een voortgangsberichtje plaatsen over een interessant thema van onderzoek.
Blijf het volgen.
In deze blog leest u over de nieuwste ontwikkelingen omtrent de uitwerkingen van het NWO-Odyssee onderzoeksproject ‘De Vorstelijke Palts van Zutphen’.
Zutphen, de kern van de provincie Gelderland
De belangwekkende archeologische opgravingen van 1946 en in 1993-1999 op en rond het plein 's-Gravenhof in Zutphen worden opnieuw bekeken en voor het eerst grondig uitgewerkt. Op deze blog zal wekelijks een nieuw bericht geplaatst worden over de resultaten van het project. De uiteindelijke resultaten zullen worden gepresenteerd in een lijvig onderzoeksrapport, in verschillende publicaties, waaronder t.z.t. een proefschrift. De palts zal ook worden gevisualiseerd volgens de jongste en nieuwste inzichten. Zutphen, de kiemcel van de provincie Gelderland De stad Zutphen is een van de belangrijkste schakels in de vroegstedelijke ontwikkeling van ons land. Het plein 's-Gravenhof in Zutphen representeert niet alleen een stadskern van regionaal en nationaal belang, doch door de historische context (stedelijke genese in de periode 800-1200 AD) en archeologische verschijningsvorm (centrum rijksaristocratie en mogelijk de Duitse vorsten) moet de vindplaats Zutphen van internationaal belang worden geacht.
Zutphen heeft als een van de zeer weinige Nederlandse steden een onafgebroken bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot ver vóór de Middeleeuwen. Vanaf circa 300 na Christus hebben hier altijd mensen binnen een versterking gewoond en in de 9de eeuw lag op de plek waar de Berkel in de IJssel uitmondt, een grafelijk centrum van belang. Eind 9e eeuw werd de nederzetting na een vikingaanval omwald.
In de 11de eeuw verrees hier een van de grootste stenen gebouwen die ons land in die tijd rijk was: een zaal van meer dan 50 meter x 12,5 meter, opgetrokken uit tufsteen, met allerlei bijgebouwen eromheen. Zo'n gebouw kan eigenlijk alleen worden verklaard als palts (Duits: pfalz), een tijdelijk verblijf van de Duitse koning, een belangrijk lid van diens familie of een hoge aristocraat die troonpretenties had en dat wilde laten zien. De graven van Zutphen waren aan de Duitse koningen (de Ottonen) verwant; zij zijn (via vrouwelijke lijn) de voorouders van de later zo machtige hertogen van Gelre, en in Zutphen ligt de kiemcel van onze huidige provincie.
Het onderzoeksproject ‘De vorstelijke palts van Zutphen’ wordt in het kader van het NWO-Odysseeprogramma gesubsidieerd als kortlopend onderzoek. Het onderzoek werd tevens mogelijk gemaakt met een aanvullende subsidie van de provincie Gelderland uit het Belvoir-werkenprogramma 2010. Deelnemende instellingen en bedrijven: Gemeente Zutphen Universiteit van Amsterdam/Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) Aestimatica Het onderzoek wordt hoofdzakelijk uitgevoerd binnen de archeologische dienst van de gemeente Zutphen. Het Amsterdam Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) is al vele jaren bij het onderzoek naar het vroegstedelijke Zutphen betrokken. Prof. Dr. Frans Theuws zorgt voor de inhoudelijke begeleiding. Erica Rompelman, MA van het bedrijf Aestimatica onderzocht in het kader van haar studie aan het AAC de Karolingische botcomplexen van het paltsterrein. Zij levert in het kader van dit project een betrouwbare quickscan van een enorme bottendump uit de 12e eeuw. Dr. Chiara Cavallo (AAC) onderzoekt het botmateriaal van de palts zelf (10e-12e eeuw). Drs. Bob Beerenhout (AAC) bestudeert het vismateriaal. Chiara Cavallo draagt namens het AAC zorg voor de wetenschappelijke controle en synthese van de zoölogische data. Het doel is een beeld te vormen van de materiële cultuur en voedselcultuur van het paltscomplex.
Zutphen heeft als een van de zeer weinige Nederlandse steden een onafgebroken bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot ver vóór de Middeleeuwen. Vanaf circa 300 na Christus hebben hier altijd mensen binnen een versterking gewoond en in de 9de eeuw lag op de plek waar de Berkel in de IJssel uitmondt, een grafelijk centrum van belang. Eind 9e eeuw werd de nederzetting na een vikingaanval omwald.
In de 11de eeuw verrees hier een van de grootste stenen gebouwen die ons land in die tijd rijk was: een zaal van meer dan 50 meter x 12,5 meter, opgetrokken uit tufsteen, met allerlei bijgebouwen eromheen. Zo'n gebouw kan eigenlijk alleen worden verklaard als palts (Duits: pfalz), een tijdelijk verblijf van de Duitse koning, een belangrijk lid van diens familie of een hoge aristocraat die troonpretenties had en dat wilde laten zien. De graven van Zutphen waren aan de Duitse koningen (de Ottonen) verwant; zij zijn (via vrouwelijke lijn) de voorouders van de later zo machtige hertogen van Gelre, en in Zutphen ligt de kiemcel van onze huidige provincie.
Het onderzoeksproject ‘De vorstelijke palts van Zutphen’ wordt in het kader van het NWO-Odysseeprogramma gesubsidieerd als kortlopend onderzoek. Het onderzoek werd tevens mogelijk gemaakt met een aanvullende subsidie van de provincie Gelderland uit het Belvoir-werkenprogramma 2010. Deelnemende instellingen en bedrijven: Gemeente Zutphen Universiteit van Amsterdam/Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) Aestimatica Het onderzoek wordt hoofdzakelijk uitgevoerd binnen de archeologische dienst van de gemeente Zutphen. Het Amsterdam Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) is al vele jaren bij het onderzoek naar het vroegstedelijke Zutphen betrokken. Prof. Dr. Frans Theuws zorgt voor de inhoudelijke begeleiding. Erica Rompelman, MA van het bedrijf Aestimatica onderzocht in het kader van haar studie aan het AAC de Karolingische botcomplexen van het paltsterrein. Zij levert in het kader van dit project een betrouwbare quickscan van een enorme bottendump uit de 12e eeuw. Dr. Chiara Cavallo (AAC) onderzoekt het botmateriaal van de palts zelf (10e-12e eeuw). Drs. Bob Beerenhout (AAC) bestudeert het vismateriaal. Chiara Cavallo draagt namens het AAC zorg voor de wetenschappelijke controle en synthese van de zoölogische data. Het doel is een beeld te vormen van de materiële cultuur en voedselcultuur van het paltscomplex.
Lees hier meer over mij
vrijdag 13 april 2012
zondag 25 maart 2012
balkon of middenrisaliet?
Het leuke van onderzoek doen naar een thema, dat blijkbaar meer mensen bezighoudt, is dat je regelmatig feedback krijgt. Ook ik ondervind dat, tot groot genoegen. Collegae als Ed Harenberg, Hein Hundertmark, Karel Emmens, Jeroen Krijnen, Bert Fermin, Volker Herrmann en Aad Bastemeijer hebben (delen van) mijn teksten van kritisch commentaar voorzien en daar doe ik natuurlijk mijn voordeel mee, of ik bekijk of hun visie met de mijne te verenigen is. Het is een leuke fase van het onderzoek dat bewijst dat je met iets zinvols bezig bent.
Zo'n discussiethema betreft een onderdeel van de reconstructie van de paltsaula. Was er bij de uitstekende entreepartij sprake van een middenrisaliet (dwarsbeuk met topgevel) of een balkon? Aad Bastemeijer heeft zijn twijfels bij de oplossing van de middenrisaliet. In nogal wat Duitse reconstructies (zowel op papier, als 3D als fysiek) ziet men een balkon gereconstrueerd. Bij enkele paltsen, zoals te Paderborn, is dat bouwhistorisch te bewijzen, maar lang niet bij allemaal. Op grond van oude prenten is bijvoorbeeld bij de paltsaula van Speyer hard te maken dat er sprake was van een middenrisaliet. Voorbeelden doen volgen, dus op zeker moment praten reconstructies elkaar na en ontstaat er een rotsvast geloof dat 'het zo was'. Maar ik ben niet overtuigd geraakt. Ik denk dat beide oplossingen voorkwamen bij paltsen. Bij het balkon opteer ik dan wel voor een afdakje want om de vorst nu in weer en wind te laten staan als hij zijn volk toesprak.....
Zo is er ook voor Zutphen een balkonvariant gereconstrueerd, want met slechts uitbraaksporen als uitgangspunt is voor Zutphen geen van beide varianten te bewijzen.
Zo'n discussiethema betreft een onderdeel van de reconstructie van de paltsaula. Was er bij de uitstekende entreepartij sprake van een middenrisaliet (dwarsbeuk met topgevel) of een balkon? Aad Bastemeijer heeft zijn twijfels bij de oplossing van de middenrisaliet. In nogal wat Duitse reconstructies (zowel op papier, als 3D als fysiek) ziet men een balkon gereconstrueerd. Bij enkele paltsen, zoals te Paderborn, is dat bouwhistorisch te bewijzen, maar lang niet bij allemaal. Op grond van oude prenten is bijvoorbeeld bij de paltsaula van Speyer hard te maken dat er sprake was van een middenrisaliet. Voorbeelden doen volgen, dus op zeker moment praten reconstructies elkaar na en ontstaat er een rotsvast geloof dat 'het zo was'. Maar ik ben niet overtuigd geraakt. Ik denk dat beide oplossingen voorkwamen bij paltsen. Bij het balkon opteer ik dan wel voor een afdakje want om de vorst nu in weer en wind te laten staan als hij zijn volk toesprak.....
Zo is er ook voor Zutphen een balkonvariant gereconstrueerd, want met slechts uitbraaksporen als uitgangspunt is voor Zutphen geen van beide varianten te bewijzen.
vrijdag 9 maart 2012
succesvol congres in Kleef
23 en 24 februari vond een bijzonder informatief en geslaagd congres plaats te Kleef-Rindern: Königtum und Adel in Niederlothringen (10e -12e eeuw). Hier kon ik mijn stand van zaken t.a.v. het onderzoek presenteren aan een Nederlands en Duits publiek, waaronder een aantal zeer ingewijden in de Duitse Pfalzenforschung. Mattias Zotz en Caspar Ehlers (Max Planck Institut (Pfalzenforschung) Uni Göttingen/Frankfurt) waren zeer onder de indruk van het Zutphense bouwwerk en kwamen slechts met (mij reeds bekende) 12e-eeuwse voorbeelden van 'grafelijke paltsen'. Ehlers uitspraak ''er gold geen verbod op het bouwen van een 'palas' die op een koningspalts leek'' kon door hem vooralsnog niet gestaafd worden met voorbeelden uit de 11e eeuw of eerder. Maar hij beloofde verder te zoeken en de rapportage te lezen. In het algemeen zijn dit soort bijeenkomsten uitermate nuttig voor uitwisseling, netwerken en kennisinformatie. De afgelopen week heb ik mijn pakket aantekeningen van de 14 voordrachten al dankbaar in mijn onderzoek kunnen verwerken.
Een van de vroege 'grafelijke paltsen', waar ik me de laatste tijd mee bezig hem gehouden, is de burg Sulzbach in Beieren, waar graaf Berengar I in de eerste decennia van de 12e eeuw een 40 meter lange 'palas' in zijn burcht liet bouwen (zie afbeelding, bron: http://www.schauhuette.de/blog/archives/category/3d-visualisierungen/). Hij was, voor zover bekend, de eerste die dat als graaf deed. Het paste bij de status van de man, die als vertrouweling gold van keizer Hendrik V en twee van zijn dochters trouwden de latere keizer Koenraad III en de latere byzantijnse keizer Manuel I Komnenos. De burg Sulzbach kent een opvallend parallelle ontwikkeling met Zutphen, al vanaf de vroege middeleeuwen. Archeologisch is er redelijk wat van bekend door de opgravingen van Matthias Hensch. Volker Herrmann, de vorige stadsarcheoloog van Duisburg, (nu werkzaam te Bern), verwees me naar dit onderzoek. van je netwerken moet je het absoluut hebben!
Een van de vroege 'grafelijke paltsen', waar ik me de laatste tijd mee bezig hem gehouden, is de burg Sulzbach in Beieren, waar graaf Berengar I in de eerste decennia van de 12e eeuw een 40 meter lange 'palas' in zijn burcht liet bouwen (zie afbeelding, bron: http://www.schauhuette.de/blog/archives/category/3d-visualisierungen/). Hij was, voor zover bekend, de eerste die dat als graaf deed. Het paste bij de status van de man, die als vertrouweling gold van keizer Hendrik V en twee van zijn dochters trouwden de latere keizer Koenraad III en de latere byzantijnse keizer Manuel I Komnenos. De burg Sulzbach kent een opvallend parallelle ontwikkeling met Zutphen, al vanaf de vroege middeleeuwen. Archeologisch is er redelijk wat van bekend door de opgravingen van Matthias Hensch. Volker Herrmann, de vorige stadsarcheoloog van Duisburg, (nu werkzaam te Bern), verwees me naar dit onderzoek. van je netwerken moet je het absoluut hebben!
zondag 22 januari 2012
Nieuws over diverse thema's
Sint Justus is onvindbaar in Trier (zie vorig blogbericht). Dr. Nolden van het Stadtarchiv te Trier kwam geen enkele verwijzing tegen naar een Sint Justusverering in die stad, maar hij blijft zoeken, nu in 2012 de Trierse relieken extra in de aandacht komen. Wel kwam de bron boven water waarin daarover iets zou staan, maar dat bleek op een vermelding van graaf Otto van Zutphen te gaan in een getuigenlijst van een koninklijke oorkonde uit 1101 in het Gouden Boek van de abdij Prüm.
Inmiddels komen nieuwe gegevens en ideeën los die erop wijzen dat te Deventer (bisschopshof) en Utrecht (koningspalts en bisschopspalts) goede parallellen voor de Zutphense aula te vinden zijn. Er zijn morfologische parallellen, vooral in Utrecht, maar ook chronologische gegevens vanuit Deventer in de ontwikkeling van de gebouwen op de voormalige bisschopshof die de bouw van de Zutphense aula kunnen verklaren. Is de Zutphense residentie bedoeld geweest als opvolger van Deventer toen in die stad na 1046 de oude vorstelijke gebouwen plaats maakten voor een nieuwe kerk en bisschopspalts?
En ook de plaats Ename aan de Schelde blijkt een interessante zoekrichting. Hier heeft een graaf (!) rond 1020 een paltsachtige residentie gebouwd in het castrum. Die graaf is niemand minder dan graaf Herman van Ename, de (volgens Hein Jongbloed) vermeende vader van Godschalk van Zutphen.
Tot slot ben ik bezig met de omvang en betekenis van de metaalindustrie (vooral ijzer) in en rond Zutphen tussen 850 en 1200. Daar zijn interessante tendensen te bespeuren en van slechts lokale betekenis lijkt die productie niet te zijn geweest. De omvang moet zeker in de 10e eeuw op het omringende platteland aanzienlijk geweest zijn. In de 9e eeuw is in Zutphen zelf ook bronsproductie aantoonbaar, maar welke omvang dit had is lastiger te bepalen (zie foto's van bronsschroot en fragmenten van een ovenstructuur).
Volgende keer meer.
Inmiddels komen nieuwe gegevens en ideeën los die erop wijzen dat te Deventer (bisschopshof) en Utrecht (koningspalts en bisschopspalts) goede parallellen voor de Zutphense aula te vinden zijn. Er zijn morfologische parallellen, vooral in Utrecht, maar ook chronologische gegevens vanuit Deventer in de ontwikkeling van de gebouwen op de voormalige bisschopshof die de bouw van de Zutphense aula kunnen verklaren. Is de Zutphense residentie bedoeld geweest als opvolger van Deventer toen in die stad na 1046 de oude vorstelijke gebouwen plaats maakten voor een nieuwe kerk en bisschopspalts?
En ook de plaats Ename aan de Schelde blijkt een interessante zoekrichting. Hier heeft een graaf (!) rond 1020 een paltsachtige residentie gebouwd in het castrum. Die graaf is niemand minder dan graaf Herman van Ename, de (volgens Hein Jongbloed) vermeende vader van Godschalk van Zutphen.
Tot slot ben ik bezig met de omvang en betekenis van de metaalindustrie (vooral ijzer) in en rond Zutphen tussen 850 en 1200. Daar zijn interessante tendensen te bespeuren en van slechts lokale betekenis lijkt die productie niet te zijn geweest. De omvang moet zeker in de 10e eeuw op het omringende platteland aanzienlijk geweest zijn. In de 9e eeuw is in Zutphen zelf ook bronsproductie aantoonbaar, maar welke omvang dit had is lastiger te bepalen (zie foto's van bronsschroot en fragmenten van een ovenstructuur).
Volgende keer meer.
vrijdag 2 december 2011
Sint Justus, een zoektocht
Deze fase van mijn onderzoek staat vooral in het teken van het enerzijds verfijnen van de conclusies in de eerste onderzoeksfase, alsmede de behandeling van een aantal verwante thema's die de status en betekenis van de Zutphense burg, kerk en palts aangaan. Een van die aspecten is de betekenis van de relieken van de Sint Walburgiskerk. Waren er belangwekkende relieken in de kerk voor 1200? Wie haalde ze naar Zutphen en wanneer? Waar kwamen ze vandaan? Relieken gaven in de middeleeuwen de plaats van verering status en aanzien en, niet onbelangrijk, inkomsten.
Relieken van Sint Walburga lijken er nooit te zijn geweest. Vermoedelijk werd er op de vele feestdagen van de heilige wel Walburga-olie verkocht. De meest tot de verbeelding sprekende relieken betroffen de resten van de kind-heilige Sint Justus van Auxerre of Beauvais (daarover is veel verwarring). Het ging om het lichaam, zonder hoofd. Het hoofd zou, volgens een hymne, in Trier bewaard zou worden. Prof. dr. Willem Frijhoff heeft zich uitvoerig met Sint Justus te Zutphen beziggehouden. Hij vermoedt dat die relieken al ver voor de 14e eeuw, wanneer er voor het eerst sprake is van Sint Justusrelieken te Zutphen, naar Zutphen gekomen zijn. Wellicht gebeurde dat in de tijd van de Zutphense graven die de relieken uit het rijksklooster Corvey zouden hebben verkregen, waar zij als ondervoogd optraden. Maar ook Trier is een zoekrichting. Mijn zoektocht richtte zich tot nu toe op de Trierse aanwezigheid van een Sint Justushoofd, maar te Trier (de wetenschappelijke staf van het Stadtarchiv) weet men vooralsnog van niets. De door Frijhoff aangehaalde bron waarin sprake zou zijn van dezelfde Sint Justushymne te Trier zou dateren uit 1103. Maar die bron blijkt niet te slaan op de hymne maar om een vermelding van graaf Otto van Zutphen als getuige in een koningsoorkonde van Hendrik IV (Tr.Stadtarchiv. 1709). Maar ze zoeken in Trier voor me verder.....
Overigens kwam er wel een Sint Justushoofd naar Zutphen. vermoedelijk in of kort na de stichting van het Franciscanenklooster Galilea in 1456. Bij de verwoesting van het klooster in 1572 werd het hoofd ternauwernood uit de vlammen gered en overgebracht naar Antwerpen. Daar is het hoofd in de reliekhouder, na omzwervingen, nog altijd aanwezig in de St. Carolus Borromeuskerk (zie foto).
Relieken van Sint Walburga lijken er nooit te zijn geweest. Vermoedelijk werd er op de vele feestdagen van de heilige wel Walburga-olie verkocht. De meest tot de verbeelding sprekende relieken betroffen de resten van de kind-heilige Sint Justus van Auxerre of Beauvais (daarover is veel verwarring). Het ging om het lichaam, zonder hoofd. Het hoofd zou, volgens een hymne, in Trier bewaard zou worden. Prof. dr. Willem Frijhoff heeft zich uitvoerig met Sint Justus te Zutphen beziggehouden. Hij vermoedt dat die relieken al ver voor de 14e eeuw, wanneer er voor het eerst sprake is van Sint Justusrelieken te Zutphen, naar Zutphen gekomen zijn. Wellicht gebeurde dat in de tijd van de Zutphense graven die de relieken uit het rijksklooster Corvey zouden hebben verkregen, waar zij als ondervoogd optraden. Maar ook Trier is een zoekrichting. Mijn zoektocht richtte zich tot nu toe op de Trierse aanwezigheid van een Sint Justushoofd, maar te Trier (de wetenschappelijke staf van het Stadtarchiv) weet men vooralsnog van niets. De door Frijhoff aangehaalde bron waarin sprake zou zijn van dezelfde Sint Justushymne te Trier zou dateren uit 1103. Maar die bron blijkt niet te slaan op de hymne maar om een vermelding van graaf Otto van Zutphen als getuige in een koningsoorkonde van Hendrik IV (Tr.Stadtarchiv. 1709). Maar ze zoeken in Trier voor me verder.....
Overigens kwam er wel een Sint Justushoofd naar Zutphen. vermoedelijk in of kort na de stichting van het Franciscanenklooster Galilea in 1456. Bij de verwoesting van het klooster in 1572 werd het hoofd ternauwernood uit de vlammen gered en overgebracht naar Antwerpen. Daar is het hoofd in de reliekhouder, na omzwervingen, nog altijd aanwezig in de St. Carolus Borromeuskerk (zie foto).
woensdag 2 november 2011
Sloegen de graven van Zutphen munten?
Na een korte radiostilte zit er weer schot in het onderzoek. Sinds vorige week ben ik weer druk aan de slag met aanvullende thema's van onderzoek die tot een dissertatie moeten leiden. Een van die thema's is de vraag of de graven van Zutphen (en later de graven van Gelre) in Zutphen munten hebben geslagen. Er worden in de literatuur nogal wat typen munten aan de Zutphense graaf Otto toegeschreven: de zogenaamde ODDO-munten. Ik ben bezig de literatuur daarover op een rij te zetten. Daar komen zeker verrassende conclusies uit, maar of Zutphen als muntplaats overeind blijft, valt te betwijfelen. De ODDO-munten zijn vrijwel zeker in het Friese gebied geslagen. De Zutphense graven hadden voogdijrechten en sinds 1107 ook grafelijke rechten in Friesland. Maar er zitten veel haken en ogen aan de toeschrijving van de munten aan de Zutphense graven.

Zekerder is de Gelderse muntslag te Zutphen in het laatste kwart van de 12e eeuw. Graaf Hendrik (1138-1181) en Otto (1182-1207) hebben in Zutphen sterk op de Utrechtse en Deventer munten lijkende deniers geslagen. Zij ontleenden dat recht dat zij voogden waren van de goederen van de Utrechtse Mariakerk.
Binnenkort is dit onderzoekje afgerond en is een volgend boeiend thema aan de beurt: de graven van Zutphen en de relieken van Sint Justus.
maandag 3 oktober 2011
De reconstructie van de tufstenen aula
Na de drukbezochte en feestelijke presentatie van het onderzoeksrapport in de Burgerzaal afgelopen donderdagavond is het nu tijd de reconstructie van de tufstenen aula te presenteren.
De totale lengte van de paltsaula was 53 meter voor de noordmuur en 50,1 meter voor de zuidmuur. De grotere muurlengte van de noordmuur ten opzichte van de zuidmuur komt door de gerende westmuur. De westmuur komt op een lengte van 18,50 meter en kende aan de noordwestzijde een uitbouw van onbekende breedte. De afwijkende oriëntering van de uitbouw (12 graden tegen de klok in) wijst op de aansluiting van dit bouwdeel op een bestaande bouw ten noorden ervan. De aula zelf was 12,5 meter breed. De noordmuur kende een opvallende uitbouw op het noorden. De buitenmaten van de uitbraaksporen zijn 7,0 meter (uitbouw) x 7,5 meter (breedte). Deze uitbouw kan als monumentale entree van het gebouw worden geïnterpreteerd, waarin een trap naar de zaal was opgenomen. Vanuit de zaal was er ongetwijfeld een ruimte boven het portaal. In de gevel ervan zal een arcadeboog de vorst vol zicht hebben gegeven op zijn onderdanen.
Het middendeel en westelijke deel waren voorzien van vijf souterraine ruimtes, gescheiden door tufstenen muren. De meest oostelijke ruimte was niet onderkelderd. Dit betekent dat deze ruimte op het niveau van de toenmalige begane grond lag. Waarschijnlijk lag dat niveau iets boven het omliggende maaiveld, terwijl het vloerniveau van de ruimte boven de souterraine ruimten ongeveer 3,5 meter boven het vloerniveau van het souterrain lag. Ook de westelijke uitbouw kende een souterrain. Er zijn aanwijzingen dat hier een stenen overwelving is geweest en dat de muren aan binnen- en buitenzijde gepleisterd waren.De plaatsing van het uitgebouwde noordportaal ten opzichte van de souterraine ruimtes wordt daarmee ook logisch. Deze lag precies in het midden van de onderkelderde ruimte erboven: de vorstelijke zaal. De monumentale trap leidde omhoog naar exact het midden van de zaal waar men direct oog in oog stond met (de zetel van) de vorst. De zaal, die nu te beredeneren is, moet het binnenmaatse formaat hebben gehad van 33 (34,5) x 10,5 meter: 357 m2. Een tweede mogelijkheid is dat de deelmuren aan weerszijden van het portaal doorliepen op de bovenliggende verdieping. De centrale zaal was dan beperkter van omvang (ca. 18,5 x 10,5 meter binnenmaats: 195 m2) en werd geflankeerd door naastgelegen ruimten op hetzelfde vloerniveau.
De meest oostelijke ruimte van ca. 14,0 x 10,5 meter (binnenmaats) op begane grondniveau hoorde dus niet tot de zaalruimte, maar moet een andere functie (en uitstraling) hebben gehad.
Abonneren op:
Posts (Atom)








